principieel onprincipieel

Er is daar iets, nét buiten mijn gezichtsveld. Ik voel haar warmte, ik hoor haar geknetter en ik zie haar schaduwen. Dat maakt haar tegelijk echt maar toch onuitspreekbaar. Ik heb wel al heel lang een korte speelfilm over haar in mijn hoofd.

Een jongen huppelt vrolijk in een groene vallei, ergens tussen de bergen onder een zachte zomermiddag zon. Plotseling wordt zijn aandacht getrokken door prachtige bloemen met keizerlijk paarse blaadjes en fijne oranje stampers. Verrukt zet hij zich in kleermakerszit naast de bloemen en staart er wel een vol uur in stille bewondering naar. Wanneer de zon begint te zakken en de schaduwen langer worden, schrikt hij op uit zijn stille extase en maakt hij aanstalten om naar huis te gaan. Maar hij kan deze prachtige bloemen niet achterlaten, hij wil er van blijven genieten, en ze tonen aan zijn mama. Voorzichtig graaft hij met zijn nageltjes alle grond rondom enkele bloemen weg en, eens vrij, draagt hij ze in zijn handjes voor zich uit als ware ze een relikwie in een processie. Thuis zet zijn moeder de bloemen enthousiast in een pot met aarde uit hun tuin, waarna ze spaghetti eten en de bloemen al snel uit het oog verliezen. Wanneer de jongen ’s ochtends vol ongeduld naar zijn purperen droom rent, merkt hij tot zijn ontgoocheling dat ze helemaal slap hangen en de meeste van hun bladeren al hebben verloren.

Er is iets bijzonder mooi aan het kwetsbare leven, dat je onvoorwaardelijk in het hier en nu moet waarderen, want het laat zich niet straffeloos oppakken en meenemen. Het geïdealiseerde leven is al snel morsdood.

Een paar jaar geleden waren we met zijn allen op reis in Denemarken, en bezochten daar ook een Wereldoorlog II museum in een bunker. Het was er vochtig en het licht van de TL-buizen was vaalgeel. Verloren tussen de herinneringen aan oorlogsmachines stond er een installatie, een glazen kubus waarin twee ventilators rond draaiden, en op de bodemplaat van de kubus lag er wat leek op een vuile stoflaag. Naast de installatie hing er ook een foto van hoe die eruit had gezien bij de inhuldiging, met feeëriek rollende en tollende pluisjes. Het bleek dus dat die stoflaag de rottende pluizige witte vruchten waren van paardenbloemen. Vaak verklaren mensen de oorlog aan de rottende realiteit, om toch maar in hun geïdealiseerde witte pluizigheid of paarse waan te kunnen blijven.

Geef een reactie