de nobele leugen

Onderstaande tekst is van de hand van Plato, en komt uit één van zijn meest bekende werken, Politeia.
De originele tekst is van omstreeks 400 voor onze jaartelling.
De vertaling hieronder is gemaakt door Stichting Ars Floreat, www.arsfloreat.nl, en herneemt pagina’s 187 tot 189 uit hun volledige vertaling.
Dit werk is door de eeuwen heen erg invloedrijk geweest, met name bij de Romeinen (Cicero) en de kerk (Augustijn), zie ook Wikipedia.

Voor de rest spreekt deze tekst voor zichzelf.

“Wat wij nu nodig hebben, is een ‘leugen om bestwil’. Hoe zullen wij daar goed gebruik van kunnen maken? Wij moeten een meesterlijk verhaal opdissen, teneinde de leiders er zelf in te laten geloven, en als dat niet lukt, dan toch de rest van de gemeenschap.

Wat voor een leugen is dat? vroeg hij.

Niets nieuws, antwoordde ik, slechts een oud-Phoenicisch verhaal over wat vroeger reeds op vele plaatsen ter wereld is voorgevallen (naar de dichters ons vertellen en ons willen doen geloven), al komt het in onze tijd niet voor. Ik weet trouwens niet of het nog ooit zal gebeuren en of het aannemelijk te maken is, als het zou gebeuren.

Het lijkt wel of ge aarzelt met uw verhaal, zei hij.

Wanneer ik het verteld heb, zult ge van mening zijn dat ik daar goede redenen voor heb, zei ik.

Schroom niet en spreek vrijuit.

Ik zal het doen. Toch weet ik niet waar ik de moed en de woorden vandaan moet halen. Ik zou proberen eerst de leiders zelf, dan de strijders en vervolgens de rest van de burgers voor te houden dat het slechts een droom of een fictie is, te denken dat wij het zijn geweest die hen hebben grootgebracht en opgevoed. Want in werkelijkheid bevonden zij zich met hun mogelijkheden in de schoot der aarde om gevormd en opgevoed te worden, en ook werd daar de rest van hun uitrusting vervaardigd. En toen zij geheel voltooid waren, bracht de aarde hen als een moeder voort. Daarom is het onvermijdelijk dat zij aan de plaats waar wij wonen denken als aan een moeder en voedster, en zij beschermen haar wanneer iemand haar kwaad wil doen. De andere burgers, die ook uit de aarde geboren zijn, beschouwen zij als broeders.

Uw schroom van zoëven om zulk een verzinsel te vertellen was volkomen terecht, zei hij.

Inderdaad, antwoordde ik. Maar luister toch ook naar het vervolg van deze mythe. Gij allen die in de staat woont – zullen wij tot de toehoorders zeggen – zijt broeders. Maar de Godheid heeft bij zijn werk het geslacht van diegenen onder u die geschikt zijn om te leiden, met goud gemengd, zodat zij het meest geëerd worden; het geslacht van de krijgers met zilver, en dat van de landbouwers en de overige handwerkslieden met koper en ijzer. Omdat ge allen van gelijke oorsprong zijt, lijkt uw nageslacht meestal op uzelf, maar soms gebeurt het dat een gouden vader een zilveren zoon krijgt of een zilveren vader een gouden zoon. Zo kunnen ook alle andere klassen uit elkaar voortkomen. De eerste en voornaamste opdracht van de Godheid aan de leiders is, dat niets meer hun aandacht verdient en door hen beschermd moet worden dan het soort metaal dat in de zielen van hun nageslacht is verwerkt. Indien zij bij hun kinderen ijzer of koper vinden, mogen zij hun onder geen beding de hand boven het hoofd houden, maar zij moeten hun de plaats geven die past bij hun ware aard en hen terugbrengen tot de staat van handwerkslieden of landbouwers. Indien daarentegen uit deze laatsten iemand geboren wordt die goud of zilver in zijn wezen heeft, dan moeten de leiders hem eren en in rang laten stijgen tot wachter of helper. Want volgens een orakelspreuk zal de gemeenschap ten onder gaan, wanneer een man van koper of ijzer over haar waakt.

Ziet ge een mogelijkheid om hen deze mythe te doen geloven?

Voor deze generatie zie ik geen enkele mogelijkheid, zei hij, maar misschien wel voor hun kinderen, kindskinderen en alle volgende generaties.

Als de mensen dit zouden geloven, zou dat al een stap zijn in de richting van meer waardering voor samenwerking en onderlinge saamhorigheid, zei ik.”


bron foto: britannica

Geef een reactie