je wordt het antwoord op je eigen vraag

Ik heb net ‘Filosoferen, hoe doe je dat?’ van Gary Cox uit, en ik onthoud voornamelijk twee kernpunten. Het eerste is de omschrijving van wat filosofie nu precies inhoudt, namelijk het rationele onderzoek van het bestaan (ontologie), de kennis (epistemologie) en het juiste handelen (ethiek). Omdat we allemaal wel eens bezig zijn met die vragen, is iedereen dus een filosoof, en dat is ook wat de auteur meerdere keren herhaalt. Hobby filosofen en professionele filosofen onderscheiden zich wel door de kwaliteit van hun betoog: de professionele filosoof maakt uitsluitend gebruik van logische constructies en laat gissingen achterwege. Het tweede thema is dat we nooit iets zeker weten, ‘Twijfel aan alles’ is de titel van het tweede van de vier hoofdstukken, en verderop in het boek merkt de auteur droog op dat docenten filosofie de enige leerkrachten zijn die tegen hun studenten beweren niets te weten.

Naast die kernpunten, deed het mij persoonlijk veel plezier dat de Matrix een zevental bladzijden lang (toch 5% van het boek volume) als inspiratie dient voor solipsisme (ik ben de enige waarnemer van het universum), dat schrijven met denken en dus met filosoferen wordt gelijkgesteld en tenslotte dat ik eindelijk een bron heb gevonden voor ‘esse est percipi (aut percepe)’ (Berkeley: zijn is waargenomen worden, of waarnemen), dat ik zelf helemaal verbasterd heb leren kennen als ‘zijn is zien. zien is zijn.’

Ik merk met plezier die dingen op die ik al ken, en ga dus misschien wel voorbij aan heel wat nieuw materiaal. Ik schrok toch wel van de terloopse vermelding van starre mensen die geen kritiek dulden. Dat gaat naar het hart van de recente reeks artikelen die ik startte over dominantie, dialoog en wereldbeeld. Maar waar ik uiteindelijk echt stil van werd was de relatie die werd gelegd tussen filosofie en principes, net omdat het werken met principes in mijn job van zo een essentieel belang is.

Stilte. Ik maak dat zelden mee, er is altijd wel ofwel muziek op de achtergrond, ofwel de kinderen met al hun enthousiast geweld, of het is de poes die honger heeft of knuffels wil ‘mioooaaaauw’. En als dan het toch stil is, dan is ze daar, het binnen stemmetje met een monoloog van al dan niet coherente gedachtes. En toch was ik even stil.

Er was namelijk een reden waarom ik dit specifiek boek had opgepikt. Wel om volledig te zijn, waren er meerdere. Ten eerste is mijn vrouw al langer geïnteresseerd in het onderwerp filosofie. Ten tweede, is haar interesse alleen maar vergroot omdat ik er zelf zo vaak over bezig ben. Ten derde, heeft ze dan uiteindelijk een inleidend boek erover gekocht. Ten vierde, lag dat boek nu al een tijdje onaangeroerd op haar nachtkastje. Ten vijfde vraag ik mij zelf al een tijdje af wanneer je jezelf filosoof mag noemen. Ten zesde, merkte ik in mijn vorig artikel op dat ik nu al een derde keer tot een gelijkaardige conclusie kwam waardoor ik mij afvroeg of ik mijn eigen conclusies wel ter harte nam. Ten zevende, stelde ik mezelf daarop de vraag of filosoferen misschien niet een andere vorm is van nutteloze en eigenlijk laffe bezigheidstherapie, waar je er voornamelijk in slaagt om vooral veel te denken en weinig te doen (klinkt als een vakantie bestemming!). Ten achtste, na wat vruchteloos zoekwerk, herformuleerde ik deze lafheid vraag om tot de vraag hoe je ‘goed’ moet filosoferen. En daarop greep mijn hand de kaft.

Goed, dat is een lange paragraaf waarin ik de hele historische beweegreden uitleg die mij leidde tot het oppikken van dat specifiek boek op het specifiek moment dat ik dat deed. De reden waarom ik stil werd kan ik nu ook ontrafelen. Ik klaag namelijk absurditeit aan in mijn professionele leven, dat dus verwant is met filosofie, maar wat ik zelf filosofeer, blijkt de toets naar kwaliteit niet te doorstaan.

Ik werd dus stil omdat mijn gevoel van absurditeit blijkbaar voortkomt uit de ondermaatse kwaliteit van mijn eigen denken.

Het enige wat we weten is dat we niets kunnen weten, alles verandert constant, alles vloeit (ta panta rhei). Als ik dat integreer in de filosofische Drievuldigheid van ontologie, epistomologie en ethiek, dan is mijn eigen filosofische vraag eigenlijk: hoe kan ik juist handelen als ik niets zeker kan weten? En net omdat die vraag zo breed en ongedifferentieerd is (net zoals ‘Wat is de zin van het leven?’), komt er ook een mistig antwoord, een gevoel van absurditeit.

Nu wel, ik startte deze queeste 100 dagen geleden, wat natuurlijk een belachelijk korte periode is voor elk zichzelf respecterende queeste, en daarmee kan je ook nog geen serieuze buit verwachten. Maar ik kan wel alvast voorlopig besluiten dat de vragen die je jezelf stelt bepalen wat je voelt: je wordt het antwoord op je eigen vraag.

Een gedachte over “je wordt het antwoord op je eigen vraag

  1. En uiteindelijk krijg je waarschijnlijk het gevoel: “Heeft het niet meer om het lijf dan dat? Was het maar dat”. Het gevoel dat past bij verworven en verinnerlijkte kennis. (de boeddhist zoekt in zichzelf de onmetelijke leegte, en zal daar zichzelf tegen komen).

    Zijn gepubliceerde boeken (ook ebooks) lijken mij absoluut lezenswaardig, ik denk dat ik dat ga doen.

    AJA

Geef een reactie