en toen ging hij van Bill

De kinderen zijn begonnen aan een serie boeken ‘Het leven van een loser’. Eén van die boeken is ook verfilmd, maar op dit moment niet verkrijgbaar via digitale televisie. Maar niet getreurd, in Gent is er nog steeds een modern anachronisme beschikbaar: de videotheek. Mijn zoon vertelde dat de juf onlangs in de les vroeg wie wist hoe een winkel heet waar je films kon huren of kopen. Als enige kon hij onmiddellijk antwoorden terwijl de rest van de klas nog verbaasd zat te staren in de leegte (youtube?).

Roxy videotheek, op het Sint Pieters plein, was een grote bloeiende zaak in zijn tijd, met alle recente titels beschikbaar in meerdere kopijen, en niet gewoon drie of vier zoals in de kleinere videotheken. Vandaag oogt het erg mistroostig, en verwacht je elk moment een bordje met ‘handel over te nemen’. Voorlopig maak ik er nog graag gebruik van, onlangs nog om de kinderen ‘Terminator II’ te laten zien, zo een klassieker, met op de soundtrack Guns ’n Roses, en Schwarzenegger op zijn top. En inderdaad, ze hadden ‘Diary of a whimpy kid’, ik neusde ondertussen even verder en herinnerde mij een andere tijdloze klassieker die ik al lang wou terug zien. Maar ik herinnerde mij noch titel noch hoofdacteur. ‘Ken je nog een andere film waarin de hoofdacteur speelt?’, vroeg de behulpzame bediende. Ja warempel, dat wist ik, ik die zo hopeloos ben in plaatsnamen, straten en ook namen van acteurs, ‘hij speelde ook in de Game!’. Michael Douglas dus, en de film ‘Falling down’, een klassieker uit 1993.

Toen ik wat doolde op internet voor achtergrond informatie over de film, kwam ik bij een recensie uit op de verwijzing naar ‘de meeste mensen leiden een leven van stille wanhoop’ (‘The mass of men lead lives of quiet desperation’, Henry David Thoreau). Stille wanhoop, ja, maar in dit script flipt die door naar haat en razernij.

Het hoofdpersonage, Bill Foster, is niet sympathiek, hij is kleingeestig en racistisch, hij is bovendien een gescheiden man met een gefaalde carrière. En hij begrijpt het niet ‘I did everything they told me’. En toch staat hij hier na al die jaren ingehouden inspanning met lege handen. En als hij dan ’s ochtends in de file staat, in de volle zon, zijn airconditioning doet het niet, zijn hendel om het raam omlaag te doen (… het is 1993) breekt af, en de stank en kabaal van de auto’s en bussen niet meer te harden is, stapt hij gewoon uit de wagen en wandelt hij weg.

Hij wil gewoon naar de verjaardag van zijn dochter, die onder de voogdij van de moeder valt, en waarmee hij een contactverbod heeft. Hij wil met een openbare telefoon (… het is 1993) bellen om zijn komst te melden, maar hij heeft niet genoeg muntjes. En dus stapt hij een kruideniers zaak binnen om geld te wisselen. ‘Je moet iets kopen, anders krijg je geen wisselgeld’. Hij neemt dus een cola blikje, maar dat blijkt 85 cent te kosten, en met de 15 cent wisselgeld kan hij ook niet bellen. Hij begint dus te mekkeren tegen de bediende dat die prijs véél te hoog ligt voor een blikje cola en als die discussie oplaait haalt de bediende een baseball knuppel boven. Bill overmeestert de bediende en laat dan al zijn opgekropte gevoelens eens goed los op de winkelrekken.

Als hij dan alles heeft klein geslagen, gaat de bediende ultiem dan toch nog akkoord met 50 cent voor de cola, die Bill dan ook prompt betaalt. Hij is nog niet zo een slechte als je redelijk bent.

Er is die dag is blijkbaar een ganse bus van irritante mede burgers gelost, enkel maar om Bill te behagen (onbehagen is ook behagen), en de zaken escaleren van kwaad naar erger nu dat hij niet langer domheid tolereert om de goede sociale vrede te bewaren, maar die met agressie beantwoord. Bill is voorbij dat punt gestapt waar hij nog achting heeft voor conventies, hij wil naar zijn dochter, en hij verzet zich met steeds meer geweld tegen al het ‘gezeik’ dat in zijn weg staat.

Uiteindelijk lokt al dat geweld, hoe kan het anders, een klopjacht uit naar hem, wordt hij in het nauw gedreven, en – onder schot – aangemaand zich over te geven. ‘Als ik hier sterf, dan kan mijn dochter tenminste nog van mijn levensverzekering genieten’. Zijn hand steekt in zijn zak en hij maakt een schijnbeweging alsof hij een pistool trekt. De agent is daardoor wel verplicht hem neer te schieten in zelf verdediging.

Waarop mijn eigen dochter zegt ‘Hij is dus toch geen slechterik?’. Tsja, een rolmodel kan je Bill niet noemen. Maar hij is ook een papa, die goed wil voor zijn dochter, die gelukkig wil zijn, met zijn gezin, en die weer een zinvolle plaats wil hebben in de maatschappij die blijkbaar ineens veranderde en hem daardoor economisch overbodig maakte. Ik denk dat we allemaal soms een beetje Bill zijn.

Geef een reactie