de schaduw van het kruis

Het was erg warm die dag, een willekeurige dag langs het pad van de Twijfel. Alhoewel hij zweette als een otter, had dat geen effect op zijn zelfgenoegzame glimlach. In tegendeel, die werd er alleen maar breder op toen hij besefte dat otters eigenlijk helemaal niet zweten maar gewoon een waterafstotende vacht hebben.

Wat verderop ging het pad langs een bergwand, eerst zachtjes maar later redelijk stijl omhoog. De voet van de helling was over haar ganse breedte verborgen achter een dicht loofbos. Hij nestelde zich in haar schaduw nu dat de zon zo krachtig stond en genoot van de friste, het gekraak, het geritsel en het getsjirp van wat vogels in de buurt. Zachtjes sufte hij weg totdat hij wakker schoot en meende gezang te horen. Hij scherpte zijn oren en hoorde in de verte inderdaad muziek

“jongen, jongen, jij neemt hier niet veel mee

wat te eten, wat te drinken, je bed en je tv

maar dromen komen en lokken je van huis

en overal de schaduw van het kruis”

Hij kon niet precies zeggen hoe lang al, maar het moest minstens al een paar dagen zijn dat hij geen levende ziel meer had gezien. Opgewonden liep hij in de richting van het gezang. Totdat hij perplex tot stilstand kwam bij een open plek.

Wat?

Een man, enkel bedekt met wat vodden rondom zijn middel hing vast aan een constructie van twee gekruiste houten palen en het leek wel of zijn voeten en handen waren vastgespijkerd in die palen. Die illusie werd alleen maar versterkt door donkere vlekken op het hout die leken op geronnen bloed. Maar dit moest wel één of andere praktische grap zijn, want de man zelf zag er verder volstrekt ontspannen uit. Sterker, het was deze man die aan het zingen was en hij was nog steeds volop bezig “en overal de schaduw van het kruis”.

“Hey daar” zei de Twijfelaar na zeker een volle minuut het tafereel met open mond te hebben aangestaard.

“Ah, daar ben je dan. Ik had je al verwacht.” kwam het antwoord, dat gevolgd werd door een glimlach die nog meer zelfgenoegzaam was als die van hemzelf. Zonder op een repliek te wachten, vervolgde de zanger

“Ik begrijp dat je al vaak aan het kruispunt van Hoop en Twijfel bent voorbijgekomen. Welnu, ik ook, wij allemaal eigenlijk, dat hoort ook zo te gaan”. Nu volgde een pauze en de Twijfelaar stak van wal.

“Sorry, dat begrijp ik niet. Wie ben jij? Hoe weet jij van mijn reizen en de kruispunten die ik tegenkom? Waarom hang je daar? Doet dat geen pijn?”

“Al die vragen.” antwoordde hij. Hij sprak erg rustig, traag, als een kalm stromend beekje.

“Ik heb tijd. Ga rustig zitten, en ik leg je alles uit wat je moet weten.

Mijn naam? Ik heb vele namen. Namen, woorden … Alles ging fout vanaf het moment dat we woorden begonnen te gebruiken: appel, kennis … Maar de mens en al het goede ontstonden ook pas echt toen we woorden begonnen te gebruiken.

Ik hang hier aan dit kruis, en ja, ik voel wel wat pijn. Mijn lichaam is aan het sterven en ik zal weldra heengaan. En toch, op mysterieuze wijze gaat het leven door. Dit kruis heeft ook die stijgende, geestelijke lijn én de horizontale, materiële lijn. En daar waar beiden elkaar snijden, hang ik, in rust, onrustig, god in onsterfelijke gedachten en dier in sterfelijk vlees.

En daarom weet ik ook van jouw reizen en jouw kruispunt. Hoop is dat geestelijke, voelbaar maar onbegrijpbaar in materiële Twijfel. Je kan niet anders dan het Mysterie te aanvaarden. Dat deed ook ik. Daarom hang ik hier. Daarom sta jij hier nu, in de

“schaduw van het Kruis.

en het bidt en het schreeuwt

en het grijpt je bij de keel

en het fluistert in je oor

tot je liegt en je steelt

en het is nooit genoeg

maar altijd te veel”

 

Geef een reactie