de noodzakelijke dood van Ivan

Het zand voelde klamp aan zijn blote voeten, maar niet te koud. Op wat meeuwen na was het strand op dit uur nog verlaten. Hij slenterde naar het water en ging daar in het zand zitten. Hij keek en luisterde naar de zee. Al de rest verdween.

Zijn twee bruine bootschoenen lagen geschrankt over elkaar naast hem, en hij droeg nog steeds dezelfde outfit van gisterenavond, zijn diepblauwe short met bruine gesp en daarover het kortmouwig linnen wit hemd. Met zijn mooi gebruind gelaat, permanente ééndagsbaard en middellang gegolfd blond haar kon hij wel doorgaan voor een nog levende broer van Kurt Cobain. En hoewel hij zich wel een rocker voelde, zag zijn dagelijks leven er lang niet zo spannend uit. ‘This is not my beautifull house’ neuriede hij vaak, naar het liedje van de Talking Heads, ‘Once in a lifetime’.

Hij hoorde een vuilniswagen achteruit rijden op de dijk. ‘Piep. Piep. Piep’. Het was alweer zeven uur en alle troep die de lading toeristen gisteren had achtergelaten moest opgeruimd worden zodat de volgende frigo-box lading ook het ongerept-strand-effect mocht beleven. Wie van die mensen zou beseffen dat een ploeg van acht man elke dag anderhalf uur bezig was om die illusie in stand te houden?

Maar over opruimen gesproken, hij kon hier niet zo blijven zitten. Zijn gezicht, handen en armen kon hij wel in de zee wassen, maar met deze kleren zou hij al heel snel heel veel aandacht trekken die hij nu niet kon gebruiken. Hij trok alles uit en rolde de bebloede kleren in een bolletje en legde dat naast zijn schoenen, alleen zijn zwarte boxershort hield hij aan. Hij liep snel door de aanrollende koude golven, totdat zijn bovenbenen net onder water stonden en zwom toen een paar armlengten in de zee en dook even onder water. Het was ijskoud.

Hij liep weer naar het strand en pakte zijn spullen op. GSM, portefeuille en sleutels haalde hij uit zijn broek en hij propte de kleren diep in de vuilbak op het strand, die zou wel snel genoeg geleegd worden. Nu kon hij gewoon over de dijk wandelen in zijn natte zwarte onderbroek en naar het appartement teruggaan, zonder al te veel aandacht te trekken, ochtend zwemmers waren niet ongewoon in Oostende.

Zoals verwacht lag iedereen nog rustig te slapen, hij kon zijn vrouw zachtjes horen snurken en de kinderen zaten nog lang niet voor TV. Hij droogde zich af in de badkamer en trok zijn sportkleren aan die daar nog lagen. In de keuken maakte hij een kop koffie klaar. Hij omklemde de mok met beide handen en staarde naar het zwart glimmende en stomende oppervlak. Ja, het zou wel lukken, zijn gezin zou het niet te weten komen. Hij moest de kleren gewoon vervangen bij de inno, hij had ze daar nog maar pas gekocht, dus dat zou geen probleem zijn. En voor de rest was er niets dat hem rechtstreeks in verband bracht met de hele zaak.

De ontmaskering was deze keer wel erg dichtbij geweest. Dit fysiek geweld was dan wel nieuw voor hem maar zijn zonderlinge aard was dat zeker niet. Hij had al zo vaak verwacht dat iemand hem erop zou aanspreken, op het werk, op straat, om te zeggen dat ze hem door hadden. Het was nog nooit gebeurd. Hij had het heel lang bevreemdend gevonden dat hij werd aanzien als normaal, alsof hij er wel degelijk helemaal bij hoorde. Maar met wat er nu was gebeurd was het kantje boordje geweest en had hij zeker niet langer met de omgeving kunnen blijven samenvloeien. Zelf wist hij wel dat hij niet was zoals de anderen. Onder zijn rustig voorkomen broeide diep vanbinnen gedurig de onrust, die regelmatig ontbrande in een alles verterende woede. Wanneer dat gebeurde hield hij zich in, wanneer hij in publiek was. Maar eens buiten zicht, moest hij wel de druk lossen of de spanning versmoren. Alcohol. Ruzie maken over pietluttigheden. Roepen. Luide muziek. Snelle, harde seks. En eigenlijk hielp niets van dat alles. Het was alsof je met een schele migraine zat en een aspirientje nam zelfs als je wist dat dat niets zou helpen. Maar hij moest toch iets doen, al was het maar om de aandacht af te leiden van die withete woede. Na een paar dagen, soms een week, ten hoogste twee weken, was de episode typisch weer weg.

Gisteren avond was hij met de vrouw en de kinderen uit eten geweest. En hij kon er nu niet meer de vinger opleggen, maar ze had iets gezegd toen ze terug wandelden naar het appartement. Iets. Wat was het nu ook weer? De kinderen waren nog hun ijsjes aan het oplikken op de dijk toen hij drie, vier zinnen van gebalde ingehouden woede tussen zijn tanden afvuurde op zijn niets vermoedende vrouw. De kinderen keken elkaar vlug zijdelings aan en hielden hun blik daarna recht vooruit. Ze wisten wel hoe laat het was. Eens op het appartement kwam de rest van zijn tirade naar boven. Hoe kon ze toch zo lomp zijn? Waarom hield hij wél al die jaren al rekening met haar tere gevoelens, en kon zij dat ook niet eens proberen? Ze wist wel beter dan dat ze reageerde. ‘Waarom zeg je niks? Oh, dit is hopeloos!’. Hij deed zijn jas aan, graaide de sleutels en GSM mee en stormde de deur uit.

Hij stapte de eerste nachtwinkel binnen die hij tegenkwam en keek jachtig rond. Bier. Wijn. Korte drank. Hij nam een fles William Lawson uit het rek en betaalde met de bankkaart. Hij nam zijn fles mee naar het strand. Daar liet hij zich in het zand vallen en draaide de fles langzaam om zijn as in het mulle zand. Hij keek naar de nog volle groene fles. Veertig procent alcohol. Eigenlijk had hij hier geen zin in. Hij voelde zich ineens als een misnoegde en wispelturige tiener. Wat voerde hij hier uit? Charlotte had hier niets mee te maken, het waren zijn eigen demonen die hem weer naar beneden sleurden. Diep vanbinnen wist hij dat ze een schat was om hem zo te aanvaarden. Een paar slokken hier in het zand, terwijl de golven heen en weer het strand streelden, en dan ging hij terug naar zijn gezin, met zijn staart tussen zijn benen.

Waar was die GSM? Speellijsten. Rage against the machine. Klik. Bombtrack. Klik. “Burn, burn, yes ya gonna burn”. Hij nam een grote slok van de fles en keek naar de golven. Een kille wind deed hem huiveren en hij nam nog een grote slok. Wow. In het restaurant had hij al een gin-tonic gedronken en bij zijn steak béarnaise een halve liter huiswijn rood. Nu begon alles wat te draaien. Hij deed zijn ogen dicht en het draaien ging direct een versnelling hoger. Hij hapte naar lucht en plantte zijn twee handen diep in het zand zodat hij niet omver viel. Kak. Even wat water gaan halen om te drinken, als hij nu in bed zou gaan liggen dan ging het alleen maar erger worden totdat hij uiteindelijk boven de pot lag te spuwen.

“Hé man, alles goed? Je ziet er nogal bleek uit”. Hij beantwoorde de man met een afwezig staren en strompelde verder naar de nachtwinkel. Misselijk. Alles kolkte. Hij pakte een liter fles San Pellegrino, liet een briefje van vijf achter bij de kassa en ging rechtstreeks naar buiten. Hij zette zich op de grond en steunde met zijn rug tegen de gevel van de nachtwinkel. Het draaide allemaal, hij moest zijn ogen dicht doen. En dan ineens de warme zure vloed. Bwuuurp. Alleen maar wat spetters op zijn benen, niets op zijn kleren. Het draaien was nu al heel wat minder, dat was altijd zo. Hij wist dat wel, het was een soort reinigen, dat kotsen, het hielp elke keer, maar hij forceerde het niet meer, zoals hij dat vroeger wel durfde doen door de vinger in de keel te steken.

Hij dronk een flinke slok van het spuitwater. En nog een. Man, die fles was bijna leeg. Een hele liter. Hij werkte de rest naar binnen en smeet de lege fles in een vuilbak. Nu was hij terug op zijn positieven, alle systemen melden zich present. Waar was die fles whiskey? Oh ja, die lag nog op het strand. Die ging hij wel ophalen, die was duur genoeg geweest, dan terug naar het appartement, een gaviscon tegen het maagzuur, tanden poetsen, en onder de lakens om te slapen. Hoe laat was het? Shit, 03:00, hoe lang had hij wel niet voor die nachtwinkel gezeten?

Hij was hondsmoe, en had het koud. Half wakker, half slapend strompelde hij naar zijn eerdere plek aan het strand en plukt de fles uit het zand. Die was blijkbaar toch wel half leeg. Wanneer hij de trappen naar de dijk oploopt, ziet hij bovenaan iemand met zijn rug naar hem gekeerd leunen tegen de reling. Wanneer hij hem voorbijloopt, roept de man hem na. “Hé gast!. Eén slok”.

De toon is niet echt agressief, maar er klinkt toch iets loom dreigend in onderdoor. Het soort kille desinteresse dat plots kan omslaan in een harde stomp in de maag of het gezicht. Hij draait zich om om de man aan te kijken en voelt zich plots naakt en kwetsbaar, die gast is een kop groter als hijzelf, en heel wat breder. Kaalgeschoren, met een wit marcelleke aan, een zwarte jeans en daaronder combat schoenen. Een halve sigaret bengelt aan zijn lippen. Die flitst helrood op in de nacht. “Tuurlijk, man, geen probleem. Ik neem er zelf ook nog één.” Hij schroeft de dop eraf en biedt de fles aan. Slok, slok, slok, slok. Er blijft alleen een klein bodempje over. Hij aarzelt om dat zelf achterover te slaan, wanneer de man hem indringend aankijkt, “Kom, gast, ik trakteer, de nacht is nog jong. Gij zijt ok, ik ga u het nachtleven in Oostende eens tonen”.

Bob doet zijn mond open om iets te zeggen in de trant van, “oh tof, maar ik moet er weer eens inkruipen, voor mij is het genoeg geweest”, als hij bij beide schouders wordt genomen in de richting van de Langestraat. Eén pint. Eén whiskey cola. En dan zal hij wel stilletjes naar buiten vluchten om zogezegd een pita te gaan halen, of een pakje sigaretten. Hij bedenkt wel iets. “Hé man, ik heet Bob. Jij?”. “Ivan”. Uiteraard, Ivan de verschrikkelijke. Voorbij het Casino, komen ze in de uitgangsbuurt. Hij zet de bijna lege fles daar tegen een gevel voordat ze een café binnengaan. Er staat een vent van achter in de veertig alleen te dansen op Arno “O la la la. C’est magnifique!”. Aan de bar ligt iemand met zijn hoofd op beide armen te slapen. En aan een tafeltje in het half duister zit een niet zo jong koppel elkaars mond te steriliseren. Met de tong. Voor de rest is het café leeg.

“Twee whiskeys” blaft Ivan. De barman zet twee shot glazen neer en vult die tot de rand met J&B. “Kom gast, coup sec, in één keer”. Geen probleem, hij is geoefend, hij kan wel iets verdragen. “Twee whiskeys”, herhaalt Ivan onmiddellijk als ze de lege glazen neerzetten. Ze kappen alle twee hun volgende shot binnen als ineens “One” van Metallica wordt gedraaid, waarop Ivan naar de dansvloer strompelt. Met zijn ogen dicht draait hij zijn lange zware armen traag en dreigend in het rond terwijl ook zijn bovenlichaam heen en weer gaat. Bob ruikt zijn kans en wandelt stilletjes naar de uitgang. Eenmaal buiten wandelt hij richting het appartement en verstommen de gitaren.

Na een paar stappen hoort hij ineens Ivan achter hem roepen. ‘Gast, niet cool! Ik trakteer u op shots, en gij bolt het zomaar af!’ Bob keert zich naar Ivan die zwalpend doch snel op hem heenstapt. ‘Kijk zie, ofwel trakteert gij mij er nog twee, of ge geeft mij een briefje van 50€’. Ivan wijst dreigend naar hem.

Tot dan was hij meegaand geweest, vooral door de intimidatie van de fysieke verschijning van Ivan en door zijn vermoeidheid. Maar die wijsvinger. Die toon. Die arrogantie. Die vanzelfsprekendheid waarmee iemand anders hem opdraagt iets te doen. Zijn furie van eerder die avond die nog maar flauw flakkerde laait nu opnieuw in alle hevigheid los. Hij staat stokstijf en kijkt Ivan recht in de ogen, die nu torenend voor hem staat. Met een kille blik geeft Ivan Bob een ruwe duw tegen de schouder. ‘Wel hoe zit het?’. Dan gaat het ineens heel snel. Bob stampt Ivan hard tussen de benen, waardoor die dubbel plooit. Hij kijkt om zich heen en ziet de bijna lege fles binnen handbereik. Hij slaat keihard tegen het hoofd van Ivan met de bodem van de fles. ‘Plop’.

Ivan kijkt Bob suf en onbegrijpend aan, en zakt dan ongecontroleerd voorover in elkaar en valt boven op Bob. Hij komt hard neer op de tegels. Ivan ligt tegen hem aan als een zak pataten en beweegt niet meer. Hij duwt hem van zich af en stelt zich recht. Hij kijkt snel om zich heen, maar niemand is komen kijken. Dan kijkt hij naar Ivan, die in een onnatuurlijke houding ligt met een grote bloedende wonde ter hoogte van zijn slaap. ‘Ivan?’ zegt hij op half zachte toon, maar er komt geen reactie van het roerloze lichaam. Hij houdt zijn vinger voor de neus en mond. Geen luchtverplaatsing. Er zijn nu ook fijne stroompjes bloed uit de neus en oren. Bob kijkt nog snel de straat op en af, schudt nog eens aan het lichaam van Ivan. Levenloos. Hij laat de fles in een vuilbak glijden en wandelt zo rustig als hij kan richting het strand. Niemand heeft hem opgemerkt voor zover hij kan nagaan.

Hij zit nog steeds naar zijn koffie te staren, en neemt een slok. Dat doet deugd. Ivan wordt gewoon een zoveelste krantenartikel op rij over het zinloos geweld in de uitgangsbuurt van Oostende. ’It ain’t a crime if you don’t get caught’. Die dingen gebeuren nu eenmaal. Maar blijkbaar voor een goede reden want zijn razernij is helemaal weg. Tot de volgende keer. Maar dat ziet hij dan wel weer.

Hij hoort het gestommel van de gastjes die uit bed komen vliegen. Ze komen allebei een knuffel halen en hij geeft ze elk zacht een kus op hun voorhoofd. ‘Goeiemorgen schatjes! Willen jullie verse koffie koeken en chocomelk?’. ‘Jaaaaa!’ volgt er direct in koor. Opgewekt stapt hij de deur uit naar de bakker, snuift de frisse zomer ochtend naar binnen en ziet dat er geen wolkje aan de lucht is. Het zal beslist een leuke dag worden.

2 gedachten over “de noodzakelijke dood van Ivan

Geef een reactie