de apatheïst

Ik ben een agnost, wat op zich wel maar een raar woord is. Het is Grieks van oorsprong, en het betekent letterlijk zonder ‘gnosis’, zonder kennis. Ik grap altijd dat ik denk agnost te zijn, maar het niet zeker weet. Nu wel, ik grap er nooit luidop over, doorgaans lacht toch niemand met dat soort grappen. Los van de letterlijke betekenis, plaatst de agnost zich in het midden op de schaal met links de gelovige en rechts de atheïst. De agnost is zeker dat hij daar geen uitsluitsel over kan hebben, hij is overtuigd onzeker. Ik neig wel zwaar naar de rechterkant, en ben redelijk overtuigd dat er geen God is. Naast wetenschappelijke inzichten is er immers geen extra ‘ding’ nodig om de dingen te verklaren. En als je twee theorieën hebt die iets verklaren, dan neem je de eenvoudigste van beiden, zo dicteert het scheermes principe van Ockham. Exit God. Tegelijkertijd voel ik dat dit alles mijn verstand ruimschoots overstijgt, één mensenleven zal nooit genoeg zijn om het allemaal te begrijpen, laat staan dat er al iets te begrijpen valt. Kan je bijvoorbeeld een steen begrijpen? Neen? Waarom zou het leven zich dan wél laten verklaren? Het ontstaan van het heelal, kwantum mechanica, het feit dat droge en inerte zaadjes in de grond toch ontkiemen tot planten, het succes van K3. Het is niet te bevatten, en daar heb ik mij maar bij neergelegd. En zo ben ik er ook toe gekomen mezelf agnost te verklaren, louter uit pragmatisme. De gedachte dat er na de dood niets meer is schrikt me evenwel niet af. De reden waarom ik dan toch niet gewoon volledig in het atheïsten kamp blijft, is minder rechtlijnig. Enerzijds is de vrije gedachte voor mij een hoog goed, en een God concept kan zoiets alleen maar vertroebelen. Anderzijds is het gevoel van overgave aan en aanvaarding van een groot en onverklaarbaar mysterie, waar je zelf een nietig onderdeel van vormt, waarschijnlijk toch de meest spiritueel heilzame. En net de vrije gedachte maakt zo een overgave onmogelijk, de vrije gedachte onderwerpt zich immers aan niets. Doorgedreven vrij denken kan niet leiden tot zingeving, het gaat onverbiddelijk naar een herleiding tot je basis aannames, waarvoor je toch geen bewijs kan leveren. Als je dus écht consequent wil zijn kom je tot een rechtstreeks herleiding naar het Niets. Daarom ben ik geen ongelovige, maar ook geen gelovige. Een open geest is echter niet opgewassen tegen rotsvaste overtuigingen. En de massa is overtuigd, zij vindt collectief zin bij God, voetdruk bewust handelen, consumeren, de snelheidslimieten respecteren, maatschappelijk presteren, intellectualisme, verstandig drinken en in andere populaire of voorname standvastigheden. En dat was lang best intimiderend, ik voelde de beklemming van er niet bij te horen, anderen wezen mij steeds zo overtuigend op de verkeerde dingen die ik deed of zei. Totdat ik de verlossende woorden hoorde: “Wie niet tegen ons is, is voor ons”. Ik ben zeker niet tegen de massa, ik ben één van jullie, zelfs als ik geen enkele van jullie geloofs aannames aanvaard.

Geef een reactie