over hoop en wanhoop

De vier basis emoties zijn boosheid, verdriet, blijheid en angst. Ze houden telkens verband met begeertes van de persoon, waarbij het object van begeerte kan gaan over bijvoorbeeld fysieke integriteit, over het zelfbeeld of over materiële welstand.

Bij angst gaat het over het dreigend verlies van het object van die begeerte, bij blijheid gaat het over het voldoen van die begeerte, bij boosheid en verdriet gaat het over verlies van het object van begeerte. Boosheid en verdriet zijn als broer en zus, waarbij de broer de schuldige zoekt om die te straffen en de zus stilletjes snikt in een hoek.

In deze lijn van redeneren is het uitblijven van verdriet niet synoniem met plezier hebben, als verdriet uitblijft en laten we aannemen dat ook boosheid haar plaats niet inneemt, dan is het ofwel angst ofwel blijheid die haar plaats overnemen. Het is aannemelijk dat beide elkaar afwisselen, van zodra de blijheid wat is weggeëbd, staat angst al te wachten om de cyclus van geven en nemen duidelijk te maken, wanneer de oorzaak van de angst dan realiteit wordt is het de beurt aan boosheid of verdriet om het voortouw te nemen.

Begeerte is de oeremotie waaraan de andere vier basis emoties ontspruiten. Die begeerte, is eigenlijk hoop, als tegengewicht voor de wanhoop van het nietig individu in de kosmos.

Deze bijdrage was gepubliceerd in hoop.

Geef een reactie