zolang je niet kiest blijft alles mogelijk

Een erg grote teleurstelling was het. Eerst dacht hij er nog sterker uit te komen, meer gefocust. Maar dat gevoel duurde al bij al erg kort. Eens dat Bob besefte wat de eigenlijke reikwijdte hiervan was. De laatste jaren had hij zich vooral verloren in vragen over zingeving, en dan vooral rondom zijn werk. En nu dat hij eindelijk een pad meende te ontwaren, een reis zonder bestemming, nu bleek hij daarvoor de reispas niet te krijgen, zijn kandidatuur was niet weerhouden. Terwijl hij vooral bezig was geweest met proberen te doorgronden was de rest van de zakenwereld vooral bezig geweest met bezig te zijn. Reflectie legt het af tegen actie. Actie legt het af tegen reflectie in actie. Dat hoopte hij toch. Hij geloofde het. Maar het risico was groot dat hij het nooit zou kunnen bewijzen, dat niemand hem de kans daartoe zou geven. Waarom zouden ze ook. Dat laatste kwam vooral hard aan. Naar zijn gevoel had hij altijd alles gegeven wat hij had, met volle overgave. Maar daar bleek nu niets tegenover te staan. “Rien ne vas plus”. En hij had verkeerd gegokt. Erger nog, hij had helemaal niet gegokt. Hij dacht dat hij niet meespeelde, dat de regels op hem niet van toepassing waren. Maar iedereen speelt uiteindelijk mee, ook diegenen die de regels maar stom vinden.

En hij vond het altijd al dwaas dat er zoveel nadruk lag op de vorm en zo weinig op inhoud. Hij dacht dat als hij zich puur op het inhoudelijke zou spitsen, dat hij dan ook uiteindelijk moeiteloos het vormelijk spel zou kunnen meespelen, waarin hij zich zo ongemakkelijk voelde, zo naakt. Hoe lang probeerde hij al te compenseren voor zijn overmatig zelfbewustzijn? Zijn oudste herinnering eraan was uit zijn tienertijd. Toen was hij begonnen met zich toe te leggen op snookeren, omdat hij hoopte daarin goed te worden en daardoor meer zelfvertrouwen te groeien, door er als het ware een gegronde basis voor te leggen. Dat was eigenlijk best grappig, op een bittere manier. Hij ging er toen van uit dat mensen zelfvertrouwen hadden omdat ze ergens goed in waren. Dat leek immers zo. Maar eigenlijk waren er gewoon mensen met zelfvertrouwen, en sommigen daarvan waren ook ergens goed in. Maar dat talent, al dan niet bovengemiddeld, was niet de bron van hun zelfvertrouwen. Het grappige was dat zelftwijfel een torenhoge drempel is om een sport onder de knie wil krijgen, zeker een technische sport als snooker die veel concentratie vereist. Zijn snookerspel bleef dan ook middelmatig, op zijn best. Veel later, tijdens zijn studententijd, was hij overgegaan op het minder technisch uitdagende 8-ball. En toen hij begon met werken had hij zich in een club ingeschreven en zich zelfs eens geavonturierd aan een toernooi. Er moest heel veel gebeuren voordat hij opgaf, maar toen hij daar vlotjes werd ingemaakt door een 10-jarige dacht hij de boodschap uiteindelijk wel te begrijpen.

Sinds die tijd had hij elders gezocht naar de bron van ogenschijnlijke zekerheid die anderen hebben als ze blindelings en vol vertrouwen voorwaarts trekken. In alle boeken die hij las. In alle opleidingen die hij volgde. Al die energie. Al die vragen die hij onderzocht. Want zolang je onderzoekt en niet kiest, blijft alles mogelijk. En nu, bijna 20 jaar later, kreeg hij dezelfde boodschap opnieuw. Maar nog steeds had hij niets gevonden dat hem bijzonder maakte. Behalve dan Lucas en Sara. Ze zaten beiden te gamen op hun iPad, met de hoofdtelefoon aan zodat hun papa niet zot werd van de kakafonie aan kabaal. Bob keek door de electronische televisiegids, en zag dat ze de Goonies draaiden. De film belichaamde het gevoel van onbegrensde mogelijkheden van de magische toekomst dat hij ook voelde toen hij indertijd zelf nog tien was, ongeveer de leeftijd van zijn kinderen nu. Hij zette de film aan, de kindjes legden hun iPad neer en nestelden zich elk aan één kant van hem in zijn armen, en ze waren al snel aan het genieten van de film. Hij genoot even van dit perfect moment van gelukzaligheid.

De volgende ochtend werd Bob toch wakker in een web van droeve gevoelens. Omdat ze er allemaal samen in gevangen zaten, hoopte hij er ook een samenhang in te ontdekken, een reden, een manier om er iets aan te veranderen. Er was de drang naar troost, die hem overdadig deed sneukelen en vooral drinken. Er was de lust naar erkenning, die hem volgzaam en behaagziek maakte. Dan was er ook het gevoel van de onafwendbaarheid van het gemiddelde, waardoor hij dagelijks meer afstompte samen met zijn eigen gebroken dromen of door zagende dromers. Hieronder, erboven en erdoorheen was er diepe teleurstelling, hij was het potentieel dat nooit was waargemaakt. En daarmee samenhangend kwam ook het laatste gevoel, een alles doordringende moeheid, waardoor hij liefst van al gewoon even alleen gelaten werd. Voor een jaar of twee. Hij had er geen probleem mee tussen die gevoelens relaties te leggen. Rationaliseren, hij had dat al zo vaak gedaan dat hij ondertussen wel wist dat je daarmee jezelf enkel een mooi verhaal aanbreit over je gevoelens zonder dat ze ook verdwijnen. Deze keer voelde het toch nét anders aan. Normaal was er in het web wel een bliksemafleider die toeliet de onwelkome gevoelens te projecteren op iemand anders of om ze af te leiden dankzij een nieuw project. Dit maal wees het echter allemaal terug naar hemzelf. Hij meende te voelen waar de oude spin zat, die dit web had gesponnen. Haar klevend spinsel was behaagziekte. Al de rest was niet meer dan paniekbewegingen van een verstrikte prooi die probeert te ontkomen. Hij kon dan ook alleen maar besluiten dat hij zelf die spin was die in haar eigen spinsel was gevangen geraakt. Hij kon dit gevoel niet van zich afschudden, voelde hij maar boosheid, zoals vroeger.

Maar sinds het voorval met Ivan had hij geen boosheid meer gevoeld. Het was ondertussen alweer drie maanden geleden. Ook de zomermaanden waren nu volledig achter de rug en de monotone alledaagsheid van het weekregime had de herinnering aan die avond grotendeels vervaagd. Tot zijn eigen verbazing had hij op geen enkel moment wroeging gevoeld. Eigenlijk voelde hij eerder het tegenovergestelde van wroeging en was hij tevreden dat hij deze keer niet de andere wang had aangeboden. Waarschijnlijk had hij wel wroeging gevoeld als het voorval met Ivan inderdaad fataal was geweest zoals hij aanvankelijk dacht. Het artikel in de lokale krant de dag erop meldde tot zijn verassing dat Ivan met een schedelbreuk in kritieke toestand was opgenomen en in een kunstmatige coma werd gehouden. En een maand of zo later stond er in een tweede artikel te lezen dat het politie onderzoek zonder vervolg werd afgesloten en dat Ivan nog steeds aan het revalideren was. ‘He lives to die another day’, dacht hij toen nog, terwijl hij de pagina wegklikte. Hij voelde zich moreel vrijgesteld rondom dit voorval, wat niet echt in zijn aard lag. Bob was wat men klinisch super-empatisch noemt, hij leefde tevéél mee met anderen. Eén van de coaches die hij hem professioneel ooit had begeleid had hem eens uitgelegd dat dit soort overdreven meeleven vluchtgedrag was om niet bezig te zijn met eigen dromen of verantwoordelijkheden. Voor de confrontatie met Ivan was hij alvast niet gevlucht, en ook dat was uitzonderlijk. In de dagen net na het voorval had hij vaak en lang nagedacht waarom hij nu precies zo door het lint was gegaan. Tegen zijn vrouw en kinderen was hij ook al uitgevaren, maar altijd uitsluitend verbaal. Dat het bij Ivan fysiek was geworden was gewoon omdat hij geen binding had met de man, en zich daarom ook niet geremd voelde. De aanleiding van zijn razernij was die vinger geweest. Die was als een rode doek voor hem, en hij was tenslotte stier van sterrenbeeld. Die Vinger stond symbool voor oordelen en eisen. Doorgaans stonden zijn onderdanigheid en dienstbaarheid weerloos tegenover dergelijke vingers, maar deze keer kwam hij ertegen in opstand, als een uitgestelde reactie op het jarenlang uitblijven van waardering voor zijn onvoorwaardelijke trouw aan de goede zaak van het algemeen belang.

Hij sleepte deze gevoelens nog een paar dagen met zich mee, het kleverig web zat nog steeds op dezelfde plaats, alle gedachtenspinsels ten spijt. Totdat hij in een roman op een zin botste die zijn al zijn zinnen op scherp zette. ‘Wat jij moet inzien is dat de meesten van ons doorsneemensen worden’. De macht van de grote getallen. De regressie naar het gemiddelde. De mediocratie. Het was niet alleen van toepassing op Hen. Hij moest nu toch, eindelijk, inzien dat hij zelf niet ontsnapte aan deze wetten. Hij moest nu toch, eindelijk, inzien dat ook hij gewoon gemiddeld was. De Geschiedenis had hem al lang in dat vak geklasseerd hoe hard hij er zich ook tegen bleef verzetten. Het is hoog tijd voor een andere aanpak. En een koele fles Chablis. Want als de waarheid niet in wijn zit dan alleszins wel zielsrust voor één avond.

Geef een reactie