Carlo da Craco

Soms verandert er iets wat je daarvoor nooit eerder was opgevallen, en dat voelt dan raar aan, waardoor je geneigd bent er om te lachen. Maar in dit geval was het lachen hem snel vergaan. Vorige week maandag pas begon het, en deze zaterdag ochtend zat hij verweesd in de kerk. Vooraan stond de kist met Lucas erin, omringd met een onwezenlijk aantal kransen, en een foto van hem met zijn breedste glimlach. Hij had die zelf gekozen, maar kon het niet aan er nu naar te kijken.

Die fameuze maandag kwam hij vol jolijt thuis en vertelde Bob over het spelletje dat iedereen speelde op school. Je nam twee potloden en een papier. Op het papier trok je dan twee snijdende lijnen, zodat je vier zones kreeg, waarin je dan afwisselend ‘ja’ en ‘neen’ moest schrijven. Dan plaatste je de twee potloden gekruist op elkaar en stelde je een vraag die je altijd startte met ‘Charlie, Charlie’. Eens dat je de vraag had gesteld, moest je kijken of het potlood bewoog naar een ‘ja’ of een ‘neen’ vakje. Twee uur lang stelde hij Charlie de zotste vragen. “Charlie, Charlie, ben je een meisje?”. Blijkbaar wel. “Charlie, Charlie, heb je blonde haren?”. Lucas had nog niet helemaal door dat je enkel maar gesloten vragen kon stellen, waarop enkel ‘ja’ of ‘neen’ volgden, want hij stelde ook vragen als “Charlie, Charlie, waar kom je vandaan?”. Bob was geamuseerd aan het volgen, en deed zelf wat research over deze plotse rage. In zijn jeugd gingen er ook allerlei ‘urban myths’ rond over het oproepen van geesten, die hij zelf maar één keer had durven uittesten, alleen op zijn kamer ’s avonds, toch nog één verdieping verwijderd van de bescherming van zijn ouders die zacht lagen te snurken in bed. Hij had op zijn eentje naar een horrorfilm gekeken waarin een nietsontziende wraakgeest werd opgeroepen door drie maal voor een spiegel diens naam uit te spreken. “Candyman. Candyman. Candyman”. Er was die nacht niets gebeurd, behalve dan dat hij bijna geen oog had durven dicht doen. Het Charlie fenomeen was maar moeilijk terug te traceren naar een bron. Er waren veel YouTube filmpjes over leutige experimenten van mensen over de hele wereld, maar wie was toch deze Charlie? Iedereen had het over een Mexicaan, maar heten Mexicanen niet typisch José of Antonio? Misschien was de naam zelf wat verbasterd, en daarom deed Bob verder speurwerk naar Karel, Charles en Carlo. Karel leek wat vergezocht: één of andere internationaal actieve geest die uit België kwam? Maar dit land had al meer internationaal beruchte figuren voortgebracht, en zeker ook een paar om niet trots op te zijn. Maar toen hij begon te zoeken naar Carlo vond hij toch wat verontrustende verhalen, uit meerdere onafhankelijke bronnen. Alle verhalen cirkelden rondom dezelfde verlaten middeleeuwse stad van Craco in Italië. Het tijdsperk van het verhaal varieerde tussen 1100 en 1600 maar verder waren de verhaallijnen erg gelijklopend. Een zekere Carlo, zonder gedocumenteerde familienaam, maar vaak ook wel Carlo da Craco genoemd, leefde als kluizenaar in het bos rondom de burcht. Niemand wist waar hij vandaan kwam, zeker niet uit het dorp, ineens was hij gewoon daar. Je kon hem terug vinden in zijn hut, aan de beek of ergens in het bos. Volwassenen weerde hij, hij begroette ze niet, en liep weg van hun als ze een gesprek met hem probeerde aan te kaarten. Met kinderen daarentegen kon hij uren ravotten en babbelen, en vaak zaten bijna alle kinderen van het dorp verspreid ergens rondom zijn hut. Er was wel wat commotie geweest hierrond, van enkele ongeruste ouders. Er was zelfs een overgeleverd verslag van een stadsraad waarin de zaak werd besproken en geklasseerd na enkele lange gesprekken tussen de pastoor en Carlo. De pastoor had aanbevolen dat hij Carlo wekelijks zou blijven spreken, omdat hij van mening was dat Carlo, hoewel onevenwichtig, geen gevaar inhield voor andere mensen, en dus ook niet voor de kinderen. Carlo was zacht van aard, sprak altijd rustig en kalm, toonde nooit enig teken van boosheid, maar sprak wel vaak over ‘de stemmen in het bos’. De pastoor zag het als zijn plicht om Carlo terug te leiden naar de christelijke gemeenschap. Niemand had dan ook zien aankomen wat volgde. Op 12 december van het jaar 1212, rondom 17:00, wanneer de kinderen typisch terug naar huis wandelden, vaak onder luidruchtig en vrolijk gezang en geroep, en klaar om hun voetjes onder de tafel te schuiven, bleven de straten opvallend stil. Er was geen enkel kind te bespeuren of te horen. “Giulia? Vieni tu, bambino ? La zuppa è fredda”. “Francesco! Ora tornare a casa!”. Het aantal ouders aan de voordeur steeg gestaag, en al snel gingen een groepje vaders richting het bos. Plots klonk een oerkreet vanuit het bos, een rauwe mengeling van wanhoop en woede. Hordes moeders riepen toen gillend richting de hut. Er stond een groot kruis, waarvoor alle kinderen naakt lagen in een hoop bovenop en door elkaar, levenloos, met hun gezicht richting het kruis. Van Carlo was er geen spoor. In de nasleep van deze tragedie was het dorp volledig ontwricht, de mensen waren radeloos, boos, zochten naar een verklaring en vooral een schuldige. De bakker pleegde zelfmoord, de slager, die vier dochters verloor vertrok richting zijn ouderlijk huis. De lerares kwam niet meer uit haar huis. De pastoor moest de vlucht nemen. Het openbaar leven viel langzamerhand stil, en meer en meer huizen stonden leeg, de mensen verkozen hun bezittingen achter te laten om zo de herinneringen aan het pijnlijk verlies niet dagelijks te herleven. Dertig later was de laatste inwoner vertrokken of overleden en was de stad finaal een spookstad geworden, zoals die vandaag nog bezocht kan worden. De verhalen over Carlo waren naar de vier windstreken van Italië meegegaan. En samen met hun ook het gebruik om elk jaar op 12 december een kruis te maken met twee twijgjes en de vraag te stellen “Carlo. Carlo. Ben je daar?”. Ging de bovenste twijg omhoog in tegenwijzerzin, dan was er geen reden voor onrust. Ging de twijg echter omlaag, dan was je uur van waarheid nabij. Carlo werd gezien als de gids van de oude goden, de stemmen uit het bos. Bob vond het wel amusant dat die folklore van bijna duizend jaar geleden nog altijd voortleefde vandaag. En hij zei tegen Lucas “Laten we eens uitzoeken wat het geluks getal is van Charlie!”. “Ja, ga je mee spelen met mij, Papa!”. De meest gangbare geluksgetallen van mensen waren blijkaar 7, 18, 13, en ze gingen dus alles testen tussen 1 en 20. Omdat je telkens maar één van twee getallen kon kiezen, zouden ze telkens twee getallen voorbereiden, en het volgend kaartje zou het gekozen getal tonen en een ander. Zo zouden ze stelselmatig uiteindelijk eindigen bij dat getal dat de voorkeur had, want dan zou bij de volgende kaart het vorig weerhouden getal opnieuw moeten worden getoond. Bob bereide een heel aantal kaartjes voor en bij de laatste moffelde hij er voor de grap ook 666 bij. “Zeg Papa, waarom zet je dat getal er ook tussen?”. “Oh, gewoon, om te testen of Charlie wel eerlijk antwoord!”. “Laten we daar dan mee starten Papa, anders verliezen we te veel tijd”. Lucas was al aan het staren naar TV, dat wetenschappelijk enthousiasme van zijn Papa was niet waar hij aan had gedacht als het over spelen ging. “Charlie, Charlie, welk getal heb je het liefste?”. Hij kon kiezen tussen 666 en 1. Het werd 666. Ok, volgend kaartje met 666 en 2. “Charlie, Charlie, welk getal heb je het liefste?”. Weeral 666. Oh, ze waren al klaar met de test. “Wacht, jongen, het kan ook zijn dat de stokjes telkens bewegen in dezelfde richting, laten we eens de cijfers omdraaien en testen om zeker te zijn”. Opnieuw 666. “Neen, dat kan niet juist zijn”. Een half uur probeerden ze de andere kaartjes, maar een getal werd nooit bevestigd bij de volgende ronde. Zelfs niet, als hij de cijfers in een ander vakje stak. En opmerkelijk genoeg werd de keuze van 666 wél altijd bevestigd, van zodra hij zo een kaart er tussen stopte. “Papa, ik ga even naar TV kijken, vertel mij straks maar wat er gebeurd is”. Toch wel raar dacht hij toen alle papiertjes wegsmeet en de potloden terug in de bureaulade opruimde, er zal wel een kansberekening bestaan die dit verklaart. 666 was natuurlijk het getal van “de duivel”, en de dag van het drama, 12/12/12 hield ook rechtstreeks verband met dat getal. ’s Ochtends was Bob het al vergeten toen Lucas hem kwam vertellen dat zijn lievelingsknuffel niet meer bij zijn hoofdkussen lag, maar in de hoek schuin tegen over zijn bed, met zijn pluizige gezicht richting de muur. “Ja jongen, je zal wat wild hebben gewoeld in je slaap”. De dag erop lag niet alleen zijn lievelingsknuffel in die hoek, ze lagen er allemaal, op een stapeltje, en stuk voor stuk met hun gezicht naar de muur. Instinctief keek Bob door het raam naar buiten in de richting van de hoofden van de knuffels, en wat verderop zag hij de kerktoren liggen, en het grote kruis dat ernaast stond, dat hij weliswaar van hieruit niet kon zien. Lucas wou niet meer in zijn kamer slapen, hij was bang en hij had buikpijn en hoofdpijn. Het was wel erg vreemd, dat hij zo ineens begon te slaapwandelen, er was verder niemand in de familie die dat ooit had gedaan. Die avond legde Bob hem te slapen in zijn bed om 20:00, Lucas was doodop, en toen Bob zelf om 23:00 naar boven ging schrokken hij en zijn vrouw zich rot. De lakens lagen mooi opgeplooid aan het voeteinde, en Lucas lag helemaal bloot op de matras, met zijn pyjama netjes opgeplooid naast het hoofdkussen. De jongen voelde ijskoud aan en werd niet wakker toen hij hem zijn pyjama aantrok en toedekte. De volgende dag nam hij prompt een dag verlof om naar de huisdokter te gaan. Die vertelde dat slaapwandelen wel vaker voorkwam en op zich niets was om zich zorgen over te maken, zolang Lucas zichzelf geen pijn kon aandoen. Bob vroeg hoe het dan zat met die rare rituelen die Lucas uitvoerde in zijn slaap. De dokter vroeg of er spanningen waren thuis. Ja, in welk huis zijn er geen spanningen? Bob zei dat hij het zwaar had op zijn werk, en dat hij daardoor wel wat snel kon uitvaren tegen de kinderen. De dokter raadde Bob aan om het een week of twee aan te kijken, en terug te komen indien de situatie zich niet stabiliseerde, en schreef een lichte kalmeringspil voor zowel Bob als Lucas voor. De nachten daarop bleef Lucas het ritueel stelselmatig herhalen, en Bob hield hem dan maar bij hem in bed, alhoewel Lucas gedurende de dag nooit sprak over zijn nachtelijke escapades en in alle toonaarden bleef ontkennen dat hij zelf zijn kleren uittrok. De nacht van zondag op maandag stopte Bob Lucas in zijn eigen bed, hij pruttelde maar licht tegen. De knuffels had Bob als voorzorg in de gangkast gelegd, zonder er iets van te zeggen tegen zijn zoon. Midden in de nacht, klokslag 3 uur werd hij wakker door luid geschreeuw uit de kamer van Lucas. Hij spurtte naar boven en zag hem rechtop in zijn bed staan, bloot, schreeuwend, wild graaiend om hem heen en in de hoek van de kamer de doodse stapel knuffels. “Neen Charlie, ik wil niet mee gaan. Laat mij met rust! Ga weg! Ga weg! Ga weeeeeeeg!”. Eens bij Bob in bed, kreeg hij Lucas maar niet bedaard, de rest van de nacht weigerde hij zijn ogen dicht te doen, en hij stopte niet met snikken en bibberen. Tegen de ochtend viel hij uiteindelijk in slaap en sliep door tot halverwege de middag. Zonder episodes met lakens, pyjama’s, knuffels of lakens. De jongen had zichzelf helemaal uitgeput. Bob had wat telefoontjes gepleegd en had via via een visite kunnen regelen bij een psychiater nog diezelfde namiddag. Die luisterde vooral heel geduldig, schreef zwaardere kalmeringspillen voor voor Lucas en sprak van een aantal opvolg gesprekken om ten gronde de angsten van Lucas te bespreken samen met de onderhuidse spanningen in het gezin. Terug in de wagen was Lucas de hele rit stil, totdat ze hun eigen straat in reden, en hij zei toen afgemeten en kordaat “Charlie heeft mij verteld dat hij mij deze nacht komt halen en mij naar de geesten in het bos gaat brengen. Hij zegt dat het tijd is. Papa, ik ga jullie zo missen, ik wil niet weg gaan.” Lucas sloeg rustig zijn ogen neer en weende stilletjes terwijl Bob de motor afzette. “Jongen, er gaat jou niets gebeuren. De dokter gaat er voor zorgen dat je geen last meer hebt van Charlie. Het komt allemaal goed ventje”. En hij pakte Lucas stevig vast. Man, hoe was het mogelijk dat die jongen zo kon afzien, zijn eigen keel zat helemaal dichtgeknoopt. Hij ging ’s avonds mee met Lucas naar bed, een uur voor het slapen gaan gaf hij hem zijn nieuwe pil, die hij zonder verpinken inslikte. Toen ze in bed lagen vroeg Lucas aan iedereen een dikke groepsknuffel en zei hij hoe graag hij hun allemaal zag. Bob las wat verder in een boek toen de pil zijn werk had gedaan en hij Lucas rustig hoorde ademhalen. Niet veel later knipte hij het licht uit en viel zelf ook snel in slaap, hij was emotioneel en fysiek helemaal leeg. Iets na drieën schrok hij wakker, de lakens lagen aan zijn voeten en Lucas was nergens te bespeuren. Hij sufte uit bed, keek op toilet en in de badkamer, maar zag of hoorde Lucas niet, hij zag wel het licht boven branden. Hij liep de trap op en ging naar Lucas zijn kamer, waar het licht vandaan kwam. Bij de deur bleef hij stokstijf staan. In de hoek lag Lucas bloot boven op de knuffels, muisstil, bewegingloos. Hij snelde naar Lucas en pakte hem op, hij voelde zo koud aan en helemaal slap. Hij droeg Lucas naar de douche en zette de warme straal aan, maar hij werd niet wakker, hij bleef niet rechtop staan. Zijn vrouw belde al naar de 112. Het mocht uiteindelijk allemaal niet meer baten, Lucas zou nooit meer wakker worden.

De mis liep op zijn einde. Na de begrafenis zouden ze samen met de ganse familie broodjes eten en koffie drinken. En dan was het tijd om naar huis te gaan en slapen. Hij snakte naar slaap, rust, dit verdriet even allemaal niet meer voelen. Maar vanochtend was hij bloot gehurkt wakker geworden in de hoek van zijn slaapkamer met zijn kop rustend tegen de hoek van de kamer die in de richting stond van de kerk. Kwam Charlie nu ook voor hem?

wordt vervolgd …


bron foto: http://www.dailymail.co.uk/travel/article-2722066/From-medieval-village-Italy-ancient-underwater-city-China-Beautiful-places-deserted-forgotten.html

Geef een reactie